Parodontale risicobeoordeling

De parodontale risicobeoordeling bepaalt het parodontale risico van de patiënt op verdere progressie van de aandoening en daaropvolgend tandverlies. Volgens Lang en Tonetti (2003) vormen de volgende zes parameters de basis van de parodontale risicobeoordeling.

Percentage bloeding bij sonderen (BOP)

Bloeding bij sonderen (BOP) wordt bepaald door licht te sonderen tot de bodem van de pocket met een gestandaardiseerde parodontale sonde.

Meer …
Aantal parodontale pockets met pocketdiepte ≥5mm

Per tand worden vier plaatsen voorzichtig gesondeerd (mesiobuccaal, midbuccaal, distobuccaal en midlinguaal). Het aantal pockets van 5mm of dieper wordt genoteerd.

Meer …
Aantal verloren tanden

Voor deze risicobeoordeling omvat een volledig gebit 28 tanden (verstandskiezen niet meegerekend). Verstandskiezen die naar mesiaal zijn verschoven tot op de plaats van de tweede molaren, worden als tweede molaren meegeteld.

Meer …
Percentage botverlies in verhouding tot de leeftijd van de patiënt

Het percentage botverlies wordt geschat op röntgenfoto’s van de posterieure tanden. De plaats met het grootste verlies bepaalt de waarde voor het botverlies. Als uitgangsniveau van het bot geldt 1mm apicaal van de glazuur-cementgrens (CEJ). Het botverlies wordt grofweg geschat in stappen van 10%. Als er geen periapicale röntgenfoto’s beschikbaar zijn, kunnen bitewings worden gebruikt. Voor deze benadering wordt het botverlies geschat op 10% per mm.

Meer …
Systemische factoren

Het best onderbouwde bewijs voor een wijziging van de vatbaarheid voor en/of de progressie van parodontale aandoeningen komt uit studies bij populaties met diabetes mellitus type I en type II (insulineafhankelijk en niet-insulineafhankelijk).

Meer …
Omgevingsfactoren

Tabaksgebruik, voornamelijk in de vorm van roken en minder in de vorm van snuiven of pruimen, beïnvloedt de vatbaarheid en het behandelresultaat bij patiënten met chronische parodontitis.

Meer …

Online tool voor de parodontale risicobeoordeling

Percentage bloeding bij sonderen (BOP)

Bloeding bij sonderen (BOP) wordt bepaald door licht te sonderen tot de bodem van de pocket met een gestandaardiseerde parodontale sonde.

Percentage bloeding bij sonderen (BOP)

Het resultaat is dichotoom: positief of negatief. De uitgeoefende kracht mag niet meer bedragen dan 0,25N (25g).

BOP wordt gemeten op vier plaatsen per tand (mesiobuccaal, midbuccaal, distobuccaal en midoraal). Dit gebeurt het best per kwadrant, eerst de buccale metingen, daarna de orale.

De score voor bloeding bij sonderen is het aantal positieve plaatsen gedeeld door het totale aantal plaatsen, vermenigvuldigd met 100.

Aantal parodontale pockets met pocketdiepte ≥5mm

Per tand worden vier plaatsen voorzichtig gesondeerd (mesiobuccaal, midbuccaal, distobuccaal en midlinguaal). Het aantal pockets van 5mm of dieper wordt genoteerd.

Aantal parodontale pockets met pocketdiepte ≥5mm

Bij de beoordeling van het risico van de patiënt op progressie van de aandoening wordt het aantal resterende pockets met een pocketdiepte van ≥5 mm beoordeeld als tweede risico-indicator voor een recidief in het functionele diagram van de risicobeoordeling. De schaal verloopt lineair, met 2, 4, 6, 8, 10 en ≥12% als kritieke waarden op de vector.

Personen met maximaal 4 resterende pockets kunnen worden beschouwd als patiënten met een relatief laag risico, terwijl patiënten met meer dan 8 resterende pockets worden beschouwd als personen met een hoog risico op een recidief.

Aantal verloren tanden

Voor deze risicobeoordeling omvat een volledig gebit 28 tanden (verstandskiezen niet meegerekend). Verstandskiezen die naar mesiaal zijn verschoven tot op de plaats van de tweede molaren, worden als tweede molaren meegeteld.

Aantal verloren tanden

Het aantal verloren tanden van het gebit zonder derde molaren (28 tanden) wordt geteld, ongeacht of ze zijn vervangen. Ook deze schaal verloopt lineair, met 2, 4, 6, 8, 10 en ≥12 als kritieke waarden op de vector.

Personen met maximaal 4 verloren tanden kunnen worden beschouwd als patiënten in een lage risicocategorie, terwijl patiënten met meer dan 8 verloren tanden kunnen worden ingedeeld in een hoge risicocategorie.

Percentage botverlies in verhouding tot de leeftijd van de patiënt

Het percentage botverlies wordt geschat op röntgenfoto’s van de posterieure tanden. De plaats met het grootste verlies bepaalt de waarde voor het botverlies.

Percentage botverlies in verhouding tot de leeftijd van de patiënt

Als uitgangsniveau van het bot geldt 1mm apicaal van de glazuur-cementgrens (CEJ). Het botverlies wordt grofweg geschat in stappen van 10%. Als er geen periapicale röntgenfoto’s beschikbaar zijn, kunnen bitewings worden gebruikt. Voor deze benadering wordt het botverlies geschat op 10% per mm.

Bij de beoordeling van het risico van de patiënt op progressie van de aandoening wordt de omvang van het alveolaire botverlies in verhouding tot de leeftijd van de patiënt geschat als vierde risico-indicator voor een recidief in het functionele diagram van de risicobeoordeling.

Systemische factoren

Het best onderbouwde bewijs voor een wijziging van de vatbaarheid voor en/of de progressie van parodontale aandoeningen komt uit studies bij populaties met diabetes mellitus type I en type II (insulineafhankelijk en niet-insulineafhankelijk).

Systemische factoren

Men moet zich realiseren dat de invloed van diabetes op parodontale aandoeningen is gedocumenteerd bij patiënten met onbehandelde parodontale aandoeningen, terwijl er tot op heden geen duidelijk bewijs beschikbaar is voor behandelde patiënten. Het is echter redelijk om aan te nemen dat de invloed van de systemische aandoeningen ook het recidief van de aandoening kan beïnvloeden.

Bij de beoordeling van het risico van de patiënt op progressie van de aandoening worden systemische factoren, indien bekend, alleen in aanmerking genomen als vijfde risico-indicator voor een recidief in het functionele diagram van de risicobeoordeling. In dat geval wordt voor deze vector het gebied met hoog risico gemarkeerd. Indien niet bekend of afwezig, worden systemische factoren niet meegenomen in de totale risicobeoordeling.

Omgevingsfactoren

Tabaksgebruik, voornamelijk in de vorm van roken en minder in de vorm van snuiven of pruimen, beïnvloedt de vatbaarheid en het behandelresultaat bij patiënten met chronische parodontitis.

Omgevingsfactoren

Bij de beoordeling van het risico van de patiënt op progressie van de aandoening moeten omgevingsfactoren zoals roken worden meegenomen als zesde risicofactor voor de progressie van parodontale aandoeningen in het functionele diagram van de risicobeoordeling.

Ondanks het beperkte beschikbare bewijs voor een verband tussen het roken van sigaretten en slechtere resultaten tijdens de parodontale nazorg (SPT), lijkt het redelijk om zware rokers (≥20 sigaretten/dag) tijdens de nazorg in een hogere risicogroep in te delen.

Terwijl niet-rokers (NS) en ex-rokers (FS: meer dan 5 jaar geleden gestopt) een relatief laag risico op een recidief van parodontitis hebben, lopen zware rokers (HS: gedefinieerd als meer dan één pakje per dag) beslist een hoog risico.

Gelegenheidsrokers (OS: <10 sigaretten per dag) en matige rokers (MS: 10-19 sigaretten per dag) kunnen worden beschouwd als personen met een gemiddeld risico op progressie van de aandoening.

Referentie

LANG N P, TONETTI M S: Periodontal risk assessment (PRA) for patients in supportive periodontal therapy (SPT). Oral Health Prev Dent 1: 7-16 (2003).

Artikel downloaden

Aanvullende informatie

U mag onze inhoud gebruiken voor uw eigen producties, met vermelding van de Creative Commons-licentie:

Naamsvermelding-NietCommercieel-GelijkDelen 4.0
https://creativecommons.org/licenses/by-nc-sa/4.0/deed.en

CC License

Zo citeert u onze inhoud:
www.perio-tools.com / CC BY-NC-SA 4.0